okt
13
1997

Een Duitse herfst vol spookbeelden

DEU TERROR RAF SCHLEYER CHRONIKHet was geen onverdeeld genoegen in 1977 correspondent in Bonn te zijn. De Bondsrepubliek werd dat jaar meer dan ooit geteisterd door het terrorisme van de Rote Armee Fraktion. De gebeurtenissen waren dramatisch en er viel dus, ondanks een Nachrichtensperre na de ontvoering van werkgeversvoorzitter Schleyer, veel te berichten. Maar de journalisten moesten werken in een verziekte sfeer.
HET terrorisme van de RAF werd door rechts in de Bondsrepubliek aangegrepen om af te rekenen met links. ‘Het geestelijk moeras, waaruit het terrorisme is ontsproten, moet worden drooggelegd’ heette dat toen. De rechtse oppositie, toen geleid door de huidige bondskanselier Helmut Kohl, hanteerde met grote ijver het stempel ‘sympathisant van terroristen’.

Zo’n sympathisant was je in die dagen snel. De CDU-politicus Bernhard Vogel, thans minister-president van de deelstaat Thüringen, zei op 14 september 1977 in een interview met het sensatieblad Bild: ‘Sympathisant kan iedereen zijn die Baader-Meinhof-groep zegt in plaats van -bende.’

Woorden wogen zwaar in die ‘loden tijd’. Ook buitenlandse correspondenten werden in de gaten gehouden en soms bekritiseerd, vooral door conservatieve Duitse kranten. Het liberale weekblad Die Zeit getroostte zich de moeite met enkele correspondenten in Bonn te praten en zelfs enkele stukken van hen te vertalen. Dat leidde op 23 september 1977 tot het artikel ‘Wie uns das Ausland sieht’ waarin onder meer de Volkskrant in bescherming werd genomen tegen het verwijt terrorisme te ‘bagatelliseren’.

Het was in die bewogen herfst ook niet zo makkelijk het journalistieke principe van hoor en wederhoor toe te passen. Het gonsde van de verhalen over afluisteren van telefoons. Was het nog wel raadzaam advocaten van de gevangen ‘harde kern’ van de RAF op te bellen? Die werden door de Duitse overheid gezien als handlangers van terroristen. En de toenmalige minister van Justitie, Hans-Jochen Vogel, had journalisten uitdrukkelijk voor deze types gewaarschuwd. Zou telefoneren je niet verdacht maken?

Achteraf gezien was dit wellicht allemaal zeer overdreven. Maar dat deze vragen toen konden opkomen, had te maken met de benauwende sfeer die in de herfst van ’77 in Bonn hing. Ze werd veroorzaakt door de vreemde heksenjacht van rechts op linkse politici, schrijvers, theologen, professoren. Allerlei mensen waren verdacht als handlanger of sympathisant.

Daarbij was de situatie ook zonder de hetze tegen links al erg genoeg. In het voorjaar van 1977 hadden linkse extremisten op klaarlichte dag procureur-generaal Siegfried Buback doodgeschoten. Enkele maanden later werd de vooraanstaande bankier Jürgen Ponto vermoord. En op 5 september werd Hanns Martin Schleyer, voorzitter van de West-Duitse werkgevers, ontvoerd. Dit ging met brutaal geweld gepaard. De terroristen schoten drie veiligheidsbeambten en de chauffeur van Schleyer dood.

Met de ontvoering wilde de ‘tweede generatie’ RAF-anarchisten bereiken dat de regering in Bonn de ‘eerste generatie’, die in het voorjaar van 1977 tot levenslang was veroordeeld, zou vrijlaten. In de Hochsicherheitstrakt van Stuttgart-Stammheim zaten toen Andreas Baader, Gudrun Ensslin, Jan-Carl Raspe en Irmgard Möller gevangen, allen veroordeeld voor terreurdaden begaan tussen 1970 en 1972. Aanvankelijk zat Ulrike Meinhof daar ook, het ideologische brein van de RAF, maar zij had begin mei 1976 zelfmoord in haar cel gepleegd.

Chanteren van de Duitse regering was niet nieuw. In 1975 ontvoerden terroristen de vooraanstaande Berlijnse CDU-politicus Peter Lorenz. Het kabinet van bondskanselier Helmut Schmidt besloot Lorenz te redden en liet vijfleden van de Baader-Meinhof-groep vrij.

Enkele maanden geleden zei Schmidt in een interview met het mede door hem uitgegeven Die Zeit: ‘Het was de grootste fout, die ik mezelf verwijt, dat ik bij de ontvoering van Lorenz, tegen mijn innerlijke instinct in, heb toegegeven. Het heeft de terroristen aangemoedigd opnieuw mensen te gijzelen. En bovendien hebben de toenmalige ontvoerders van Lorenz daarna weer gemoord.’

Het was dus begrijpelijk dat Schmidt in de herfst van 1977 besloot niet te zwichten voor de eisen van de ontvoerders. Het lag tevens voor de hand dat uitgebreide veiligheidsmaatregelen werden genomen en dat de federale recherche (BKA), die al voor de herfst van 1977 aanzienlijk was versterkt, en de politie alles deden om Schleyer op te sporen en te bevrijden. Dat lukte niet, ook al omdat de politie fouten maakte.

Begrijpelijk was ook dat in de Bondsrepubliek angst heerste voor nieuwe terreuraanslagen. Maar wat moeilijk viel te begrijpen was dat die grote, sterke Bondsrepubliek zich gedroeg alsof de staat in gevaar was. Daarvoor waren geen aanwijzingen. De onwerkelijke ideeën van de RAF over een nieuw fascisme in de Bondsrepubliek vonden geen enkele weerklank. De Duitse bevolking reageerde met afschuw op het terroristische geweld. Na elke moordaanslag werd de roep luider om korte metten te maken met de RAF.

Waarom dan toch die gedachte dat de staat werd bedreigd? Bettina Röhl, de in 1962 geboren dochter van Ulrike Meinhof, wees twee jaar geleden in het weekblad Der Spiegel op het Duitse verleden. In een kritisch artikel over haar moeder wees ze erop dat zowel de Duitse regering als de RAF een tegenstander bestreed die er helemaal niet was. ‘Voor 1933 had de republiek van Weimar het verzuimd een Adolf Hitler en een opkomende NSDAP te bestrijden, hen tot staatsvijand nummer één te verklaren en hen dienovereenkomstig te behandelen. Dit keer, zo komt het me voor, wilde de jonge democratie zich niet nog een keer de macht door een terreurbende uit handen laten nemen. Daarom bestreed ze de Baader-Meinhof-bende met het slechte geweten van hun voorvaderen die een Hitler hadden toegelaten.’ Maar ook de RAF zag spookbeelden, concludeerde Röhl.

De meest dramatische periode van 1977 viel tussen 13 en 19 oktober, deze week precies twintig jaar geleden. Op 13 oktober kaapten Palestijnse terroristen de Lufthansa-Boeing Landshut ter ondersteuning van de Schleyer-ontvoerders. Het vliegtuig, met 82 passagiers aan boord, zwierf enkele dagen rond in het Midden-Oosten en landde vier dagen later in de Somalische hoofdstad Mogadishu. De GSG-9, een elite-eenheid van de Duitse grenstroepen, bevrijdde daar in de nacht van 17 op 18 oktober 1977 alle passagiers en de meeste bemanningsleden; gezagvoerder Schumann was eerder door de kapers doodgeschoten.

Enkele uren na deze succesvolle operatie van de GSG-9 werden Ensslin, Baader en Raspe dood in hun cellen aangetroffen. Irmgard Möller bleek zwaar gewond. Officieel werd verkondigd dat Baader en Raspe zich met een pistool door het hoofd hadden geschoten. Ensslin had zichzelf opgehangen. Möller had zich met een mes in de borst gestoken.

Irmgard Möller, die eind 1994 vrij kwam na 22 jaar cel, houdt nog altijd vol dat de gevangenen werden vermoord, maar dat gelooft intussen niemand meer. In 1977 werd de officiële verklaring over zelfmoord echter hier en daar in twijfel getrokken en die twijfel was door Bonn zelf gezaaid. Want het Kontaktsperregesetz, de wet die na de ontvoering van Schleyer speciaal was gemaakt om de gevangenen in Stammheim totaal te isoleren, maakte immers collectieve zelfmoord praktisch onmogelijk. Hoe konden de gevangenen weten dat de passagiers in Mogadishu waren bevrijd? Hoe hadden ze kunnen afspreken zichzelf op hetzelfde moment te doden? En vooral: hoe waren zij aan wapens gekomen? Stammheim was de best bewaakte gevangenis van Duitsland. Hoe konden pistolen naar binnen worden gesmokkeld en hoe konden die wekenlang onontdekt blijven in cellen die steeds grondig werden doorzocht?

Intussen is bekend dat wat in 1977 onmogelijk leek, allemaal wel degelijk is gebeurd. Er werden wapens binnengesmokkeld, de gevangenen hadden een radio en onderhielden contact met elkaar. Onlangs werd zelfs onthuld dat de gevangenen hun cellen zo vuil maakten, dat bewakers geen zin hadden lang in die smerigheid rond te woelen.

Minstens één lid van de RAF was er al in 1977 van overtuigd dat in Stammheim geen moord maar zelfmoord was gepleegd. In Der Spiegel stond onlangs een citaat van vooraanstaand RAF-lid Brigitte Mohnhaupt: ‘Zij zijn geen slachtoffers en ze zijn het nooit geweest. Ze hebben hun situatie tot op het laatste moment zelf bepaald.’

Op 19 oktober 1977 werd Schleyers lijk gevonden in het Franse Mulhouse. Bij zijn begrafenis sprak de toenmalige president Walter Scheel. Hij keerde zich onder meer tegen het al te snel hanteren van het stempel ‘sympathisant van terroristen’. Scheel zei: ‘Wij kunnen deze staat niet verbeteren als wij niet worden gewezen op zijn fouten. Legitieme kritiek heeft niets, helemaal niets, met terrorisme te maken. Kritiek is het levenselixer van de democratie. We zouden een noodlottige fout begaan, als we dit levenselixer verwarden met het dodelijke gif van het terrorisme.’

Geen reacties »

Abonneren op de RSS-feed van deze topic. TrackBack URL


Plaats een reactie

(wegens opgewonden standjes moet uw reactie eerst goedgekeurd worden)

*

Onze sponsor Colani | Ontwerp: Oppositie 2.0 door colani.nl