mei
22
2009
0

Links terrorisme en romantiek: Het Baader-Meinhof Complex

benno_ohnesorg“Vorige week is bekend geworden dat de West-Berlijnse politieman die op 2 juni 1967 de Duitse student Benno Ohnesorg (26) doodschoot (afbeelding rechts), een medewerker van de Oost-Duitse Stasi was. De Stasi was de gevreesde Oost-Duitse veiligheidsdienst. Met de dood van Benno Ohnesorg begon de snelle radicalisering van de Duitse studentenbeweging die uiteindelijk uitmondde in terreur. Maar de revolutionaire studenten dachten dat de politie van het kapitalistische regime een onschuldige student had doodgeschoten. De agent werd wel vervolgd en vrijgesproken, omdat hij per ongeluk had geschoten. Maar daarmee was al ‘Der Baader Meinhof Komplex’ geboren.

Interessant is te weten dat die student tijdens een demonstratie tegen het bezoek van sjah van Perzië aan West-Duitsland om het leven kwam. Daarom werd hij ook in de links- terroristische kringen van Iran verheerlijkt als een slachtoffer van het ‘Duitse liberaal- fascisme’. In Iran zijn ze nu een illusie armer geworden. De held werd omgebracht door de agenten van de heilstaat. Een agent die ook nog werd betaald: 550 Mark in 1955, in 1966 zelfs 4.500 Mark. Weinig romantiek! De romantici handelen in een reële en onromantische wereld.”

mei
15
2009
0

WILDERS TOCH VERVOLGD OM UITSPRAKEN

wilders.bodyguardsHet kan verkeren he, Wilders komt er niet onderuit wat men ook probeerd. Hij moet zich gewoon voor het Hof verantwoorden voor zijn uitspraken BUITEN de Tweede Kamer. Let wel als hij ze in de Kamer zegt is het niet strafbaar maar daarbuiten loop je dus gewoon het gevaar vervolgd te worden. En terecht als je het mij vraagt. Je kunt ook te ver gaan!
De Hoge Raad heeft het verzoek om PVV-leider Wilders niet te vervolgen, afgewezen.

Buitengewone procedure (more…)

mei
08
2009
0

Omgekeerde bewijslast

STEL JE VOOR. JE WOONT IN NEDERLAND, misschien ben je er wel geboren, maar je moet toch nog steeds je (voorlopige) verblijfsvergunning
verlengen bij de vreemdelingendienst.
Of je bent net gevlucht en vraagt op Schiphol asiel aan.
Of je wil je vrouw en kinderen over laten komen, trouwen met iemand uit een ander land.
Okee, dat is al allemaal niet zo eenvoudig, maar gemakkelijker wordt het met de plannen van de regering zeker niet.
De regering wil vreemdelingen strenger controleren op mogelijke betrokkenheid bij terrorisme. Bij het stempelen bij de vreemdelingenpolitie,
bij een aanvraag voor asiel of gezinshereniging bij de immigratiedienst of al bij het inchecken in het vliegtuig wil de regering
dit doen. Alle bestanden met informatie over vreemdelingen worden gekoppeld met die van de inlichtingendienst. Technisch zijn er nog problemen, niet alle informatie is zomaar te koppelen. Bovendien worstelen de diensten met een ander groot probleem: met welke kenmerken moet je de bestanden doorzoeken? Wat is eigenlijk het profiel van een terrorist?
Toch maakt het nu ook al uit of je Nederlander bent of niet.
De inlichtingendienst geeft ook nu aan de immigratiedienst informatie door over mogelijke betrokkenheid bij terrorisme. De immigratiedienst kan op die grond iemand dan uitzetten. De laatste twee jaar is dit een tiental personen overkomen. Recentelijk nog de imams van de Al Fourkan moskee uit Eindhoven.
We spraken hierover met Marq Wijngaarden, advocaat van het kantoor Böhler, Franken, Koppen en Wijngaarden, dat ook veel verdachten van terrorismezaken verdedigt. Marq Wijngaarden noemde als grootste punt van kritiek de oncontroleerbaarheid van de AIVD informatie. “Je kan de achtergrond van die informatie niet onderzoeken, want de AIVD houdt echt alles geheim. Je krijgt dus een omgekeerde bewijslast. Heel soms, maar dan moet je wel heel concreet aantonen dat er twijfel is over de informatie, krijg je compensatie”. Die twijfel wist Wijngaarden naar boven te halen in de zaak van de imams uit Eindhoven. “Conclusies van het ambtsbericht waren bijvoorbeeld gebaseerd op de preken van de imams, maar die preken stonden niet eens in de informatie. Die informatie was erg onvolledig. Ook maakte de AIVD geen onderscheid
tussen salafisme en de geloofsleer van de imams”.
Wijngaarden vindt dat Nederland de uitzettingen misbruikt. “Nu zie je bijvoorbeeld dat alle mensen die zijn vrijgesproken in terrorismezaken,
op basis van dezelfde AIVD informatie wel worden uitgezet”, aldus Marq Wijngaarden. “Wat geen bewijsmateriaal is in strafzaken, wordt dat in vreemdelingenzaken plotseling wel”.
Een aantal uitzettingen kan niet plaatsvinden omdat in de landen van herkomst gemarteld of gefolterd wordt. Het gaat dan bijvoorbeeld
om Egypte, Syrië en Algerije. De regering denkt er over om, met de toezegging van diplomatieke garanties, mensen toch uit te gaan zetten naar deze landen. Een adviescommissie op het gebied van buitenlandse zaken heeft de regering dit echter afgeraden.
Volgens deze commissie is het martel- en folterverbod absoluut en vormen diplomatiek garanties geen enkele waarborg voor een zorgvuldige behandeling.

Written by in: Landelijke politiek,Privacy |
mei
08
2009
0

Niets meer te verbergen

‘WIJ LIJKEN SOMS wel digitale hamsters’, zei Tweede-Kamerlid Ronald van Raak (SP) twee weken geleden tijdens het Kamerdebat over de invoering van de nieuwe Paspoortwet. Zijn verzuchting refereerde aan de onstuitbare drang van de overheid om persoonlijke gegevens van burgers centraal en digitaal vast te leggen. Staatssecretaris Ank Bijleveld (Binnenlandse Zaken) verdedigde zich in omineuze bewoordingen: ‘De nieuwe paspoortadministratie zorgt voor een zo betrouwbaar mogelijk systeem en wordt absolúút geen opsporingsdatabank voor misdadigers.’ Ze zei dat ‘lukraak rondneuzen’ in de centrale administratie niet mogelijk is omdat alleen officieren van justitie gegevens kunnen opvragen en zij alleen kunnen inloggen met een digitale handtekening.
Maar hoe weet zij dat zo zeker? Het probleem is, zoals bij álle centrale databases met privacygevoelige gegevens van burgers, dat ondanks ‘voldoende maatregelen’ inbraak en misbruik door onbevoegden niet zijn uit te sluiten. Een garantie dat wettelijk vastgelegde regels niet worden geschonden is er niet. Dat dit gebeurt, onttrekt zich meestal aan het zicht, zeker als het gaat om staatsgeheimen. De enkele keer dat het wél naar buiten komt, zorgt het voor ophef maar het onheil is dan reeds geschied.
Een actueel voorbeeld zijn de lekkende medewerkers van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Zij hebben gevoelige informatie verstrekt aan De Telegraaf. Een ander geval kwam begin deze maand naar buiten tijdens een afscheidsinterview met Irene Michiels van Kessenich, de voorzitter van de Commissie van Toezicht betreffende Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (CITV), met NRC Handelsblad. Zij vertelde dat de inlichtingendienst en de politie de inhoud van sms’jes ontvangen van twee telecomproviders (T-Mobile en Vodafone), zonder toestemming van de minister van Binnenlandse Zaken. Verkeersgegevens – wie met wie belt of mailt – werden niet gescheiden van de inhoud verstuurd. Beide providers zeggen desgevraagd dat ‘er inmiddels technische maatregelen zijn getroffen om de inhoud te filteren van de verkeersbewegingen’. Maar het blijft onbevredigend. Wat gebeurt er nog meer ‘per ongeluk’ of vanwege technische onkunde wat we nu niet weten? En wat doen politie en inlichtingendiensten überhaupt met gegevens over het telecomgedrag van iedereen?
Het maakt andermaal duidelijk dat het opslaan van antecedenten van alle Nederlanders riskant is. Bij misbruik wordt altijd gedacht aan buitenstaanders, zoals hackers, criminelen of andere onbevoegden met specifieke doeleinden, zoals bedrijven of verzekeringen. Maar ook de overheid zélf kan in de verleiding komen om de opgeslagen antecedenten en fysieke kenmerken van burgers te gebruiken bij opsporing van verdachten van terreur en misdaad. Hoewel het inbreuk op de privacy is, laat de wet toe dat ‘hogere belangen’ gebruik ervan rechtvaardigen. Zoals Tineke Strik, Eerste-Kamerlid van GroenLinks, tijdens het debat over het nieuwe paspoort zei: ‘De samenleving wordt transparant, terwijl de overheid zich in mist hult. De burgers moeten zich overleveren aan de overheid, zonder dat die kan garanderen dat de gegevens veilig zijn.’

IS DE OVERHEID kwaadwillend of naïef? Duidelijk is dat alle kritiek wordt weggewimpeld. Dat blijkt al jaren bij de invoering van nieuwe wetten om databases van gegevens van burgers vast te leggen. Het verloopt volgens een vast patroon.
Het plan wordt door een minister gepresenteerd als een voordeel ten opzichte van de oude situatie en ten dienste van een ‘goed doel’. De OV-chipkaart, het kinddossier, het Elektronisch Patiëntdossier (EPD), de ‘slimme meter’, het centraal opslaan van parkeergegevens, het nieuwe paspoort – het is allemaal efficiënter en dus beter voor de burger. Het kinddossier zou achterstanden bij kinderen en mishandeling door opvoeders in een vroeg stadium signaleren. Het landelijk systeem met alle medische gegevens is bedoeld om artsen bij spoedgevallen sneller te laten handelen waardoor er twaalfhonderd onnodige sterfgevallen per jaar voorkomen worden. De ‘slimme meter’ zou consumenten door inzicht in het energiegebruik aanzetten tot besparing.
Dit soort plannen stuit steevast op weerstand bij instanties als het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) en het parlement (met name D66 en GroenLinks). De kritiek komt telkens op hetzelfde neer: risico’s van oneigenlijk gebruik en een wettelijke schending van privacy. De OV-chipkaart legt immers het hele reisgedrag vast. Met de ‘slimme meter’ kunnen energieleveranciers het leefpatroon van burgers zeer nauwkeurig in kaart brengen. Het kind- en patiëntdossier hebben betrekking op zeer gevoelige zaken als levensstijl en ziekten.
Over het voornemen van het nieuwe paspoort gaf het CBP in 2007 een zeer helder advies: ‘Het aanleggen van een centrale reisdocumentenadministratie met biometrische gegevens brengt voor burgers ernstige en waarschijnlijk onnodige risico’s voor de persoonlijke levenssfeer mee, waartegen zij zich niet kunnen wapenen. Een gedegen analyse van de voor- en nadelen van zo’n databank ontbreekt en alternatieven zijn niet besproken. Daardoor is het wetsvoorstel tot invoering van het systeem in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.’ Het CBP drong er bij de staatssecretaris op aan indiening van het wetsvoorstel te heroverwegen.
De keuze van de minister voor een centrale databank waardoor 24 uur per etmaal en zeven dagen per week de identiteit van personen online kan worden geverifieerd, lijkt volgens het CBP ook te zijn ingegeven door andere motieven dan alleen het streven naar een soepel verlopend aanvraag- en uitgifteproces: het opsporen van strafbare feiten, waaronder het bestrijden van terrorisme. Het CBP wijst erop dat dit wetsvoorstel voor deze doeleinden er weer één extra is boven op alle andere maatregelen die in de afgelopen periode al zijn genomen, zoals de verplichting om verkeersgegevens te bewaren en de uitbreidingen van strafvorderlijke bevoegdheden. Het CBP stelt: ‘Deze consequentie vormt een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer omdat ook de gegevens van niet verdachte burgers in het register zijn opgenomen.’
Het CBP wijst tevens op een gevaar dat ook geldt voor andere databases: het risico van een breder gebruik dan alleen de oorspronkelijk geautoriseerde instanties: ‘Het wetsvoorstel bevat een lijst van personen en organisaties waaraan persoonsgegevens kunnen worden verstrekt. Dat zijn er al veel. Wanneer een centrale reisdocumentenadministratie eenmaal is gerealiseerd zullen er, zo leert de praktijk, nieuwe soorten doelen en gebruikerswensen ontstaan. De gegevens die eens werden opgeslagen voor specifieke doeleinden, zullen de belangstelling krijgen van andere personen en organisaties, waardoor de doelbinding in gevaar komt. Het risico van breder gebruik – function creep – is niet denkbeeldig.’
Maar meestal slaan bewindslieden bezwaren in de wind en wordt de wet met de nodige aanpassingen door de Tweede Kamer geloodst. Soms lukken plannen niet, zoals dat voor de ‘slimme elektriciteitsmeter’, vanwege te grote aversie van burgers.

DIT HELE PATROON – wetten doorvoeren ondanks kritiek – toont een onomkeerbare ontwikkeling: de overheid is bezig om zo veel mogelijk privé-gegevens op te slaan. Over de risico’s ervan waarschuwt Rop Gongrijp, medeoprichter van XS4ALL en waakhond van internetmisbruik, al jaren. In 2006 was hij initiatiefnemer van de actiegriep Wij vertrouwen stemcomputers niet. Hij zegt: ‘Nederland is op weg om een politiestaat te worden, want het echte probleem is de staat zelf. Die streeft naar meer controle en is zelf van controle uitgesloten. In Nederland kan de wet niet aan de grondwet getoetst worden, zoals in Duitsland wel het geval is bij het Constitutioneel Hof in Karsruhe. De Nederlandse burgers vertrouwen op hun beurt op de alwetende staat als een goede vader die voor hen zorgt. Maar ongecontroleerde macht geeft per definitie problemen.’
Gongrijp wijst als verklaring voor de onwetende houding van zowel de overheid als de burgers naar het onderwijs. ‘Als je dertig jaar lang het onderwijs uitkleedt, dan creëer je mensen die niet in staat zijn om integraal hierover na te denken. De samenleving krijgt daarvoor de rekening. Er ligt een scala aan gegevens en het is een illusie te denken dat daar géén misbruik van gemaakt gaat worden. Denk maar eens aan PVV-Kamerlid Fleur Adema die heeft gezegd dat ze alles wat links is, of dat in het verleden was, met wortel en tak wil uitroeien. Nederland is in de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot kampioen aftappen en afluisteren. Er is geen kritische massa die het proces kan keren.’
‘Wij betitelen het als Das Leben der Anderen’, zegt Rik van Amersfoort van onderzoeksbureau Jansen en Jansen. ‘Het onzichtbaar stapelen van informatie is een gevaarlijke ontwikkeling waar niemand zicht op heeft. Pas over zo’n vijftig jaar zal duidelijk zijn wat er nu allemaal precies over ons wordt opgeslagen. Wij lopen op tegen de verkramptheid waarmee de overheid omgaat met informatie. We doen continu een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), maar dat is een trage procedure die al gauw een jaar duurt en vaak worden we ingehaald door nieuwe wetgeving.’
Het bureau heeft geen inzicht in wat de overheid precies doet met alle informatie: ‘Het is ook onduidelijk of het zin heeft: worden er meer delicten opgelost? Worden er terroristische acties voorkomen? De suggestie dat het preventief werkt, wordt nergens hardgemaakt. Er is sprake van een omgekeerde ontwikkeling: je moet straks bewijzen dat je onschuldig bent.’
Net als andere critici zegt Van Amersfoort dat handhaving de crux is: ‘Volgens de wet mag er geen misbruik gemaakt worden van privacygevoelige gegevens, maar het gebeurt toch, zoals providers laten zien. We weten bijvoorbeeld dat rechercheurs bij instanties om gegevens vragen vanwege veiligheid en dat die instanties vaak niet goed op de hoogte zijn dat ze dat dan mogen weigeren. Het systeem van digitale bestanden lokt uit dat slimme mensen ervan profiteren en onwetende burgers er het slachtoffer van kunnen worden. De overheid creëert een samenleving waarin iedere burger zich moet gedragen volgens het systeem van pasjes en nummers. Wie dat doet heeft geen direct probleem, maar ondertussen wordt iedereen begluurd. Wij pleiten voor de plicht van de overheid om iedereen met rust te laten.’
Dat het burgers niks kan schelen wat er wordt vastgelegd is overigens niet waar. Dit jaar deed het CBP onderzoek naar de acceptatie van databases. Daaruit bleek dat burgers die zeggen ‘niks te verbergen te hebben’ schrokken toen zij werden geconfronteerd met de verwerkingen van hun persoonsgegevens. ‘Burgers willen weten wíe wáárom wélke gegevens over hen bewaart en zo controle houden over de verwerking van hun persoonsgegevens.’ De conclusie was: burgers accepteren de steeds ruimere verwerking omdat zij het gevoel hebben dat het onvermijdelijk is en steken daarom de kop in het zand. Het CBP had een serieus advies: ‘Het vergt van publieke en private instellingen dat zij actief mensen helderheid geven over de aard van de gegevens die zij verwerken en het doel waarmee zij dit doen. Alleen dan kunnen burgers hun rechten op dit gebied uitoefenen.’ Het CBP heeft slechts een adviserende taak.

Bron: MARGREET FOGTELOO / De Groene Amsterdammer

Written by in: Landelijke politiek,Privacy |
mei
01
2009
0

Nooit gepakt en toch bang

De elektronische burger is vogelvrij. We leven in een digitale dictatuur. Dat wil zeggen, niet wijzelf maar onze digitale dubbelgangers. Voor die dubbelgangers lijken de mensenrechten niet te gelden. Al gelden ze in Duitsland net iets meer dan in Nederland.

BERLIJN – Laat ik het maar bekennen. Ik heb een pakje batterijen in mijn wagentje langs de kassa geschoven (geregistreerd op video). Ik heb op internet handleidingen voor het maken van bommen bekeken (mijn provider kan mij verraden). Ik heb een klantenkaart van de Kaufhof (die nu van alles over mijn koopgedrag weet). Ik heb een rekening twee keer ingediend en twee keer betaald gekregen (mijn mailbox weet het). Ik heb mijn e-mailadres aan een handelaar in persoonsgegevens van journalisten gegeven (dat adres zwerft nu door heel Duitsland). Ik heb Oostenrijk over de snelweg doorkruist zonder tol te betalen (geregistreerd door een videoscan). Ik heb de gegevens van mijn creditcard aan de Deutsche Bahn afgestaan (de chef van de Deutsche Bahn is zojuist afgetreden vanwege onoorbare omgang met persoonsgegevens). Zo kan ik nog een tijdje doorgaan. Ik ben een elektronisch doorzichtige burger. Wie wil, kan van alles over mij te weten komen. En dat terwijl ik toch een heel voorzichtige burger ben. Ik ben terughoudend met mijn persoonsgegevens. Ik koop weinig via internet. Ik doe aan geen enkele loterij mee. Ik dreig telefonische reclamemakers met juridische stappen. Ik heb geen profiel bij elektronische vriendenclubs als Facebook en sla ieder verzoek om vriend te worden af. Ik vul geen enquêtes in en maak een grote boog om blondines die gewapend met vragenlijst en balpen mensen op straat aanspreken. Maar al ben ik nog zo voorzichtig, doorzichtig ben ik toch. Ik weet alleen niet voor wie. Ze hebben zich nog niet gemeld. Ik ben niet gepakt voor batterijen stelen, dubbel incasseren of tol ontduiken. De Kaufhof achtervolgt mij niet met ongewenste reclame. Mijn creditcardrekening is niet door onverlaten geplunderd. Ik ben niet opgepakt bij een razzia op bommenleggers. Ik krijg alleen wat veel persberichten van organisaties die mij in de verste verte niet interesseren. Het valt dus allemaal wel mee. ‘Men’ weet wel veel van me, maar ‘men’ is niet bijster in mij geïnteresseerd. Ik beschik op z’n minst nog over de illusie van privacy. Ik kan me inbeelden dat wat ik doe en wie ik ben grotendeels alleen mijzelf bekend is en dat ik zelf bepaal wat anderen van mij te zien krijgen en te weten komen. Tegelijk moet ik met de gedachte leven dat ik een elektronische dubbelganger heb, dat er in een virtuele ruimte een persoon bestaat die mijn naam draagt, mijn uiterlijk heeft, dingen heeft gedaan die ik ook heb gedaan, mijn e-mailadres heeft, mijn autokenteken en mijn rekening-, creditcard-, belasting- en ziekenfondsnummer. Maar ik bepaal niet wat anderen van die dubbelganger te zien krijgen, ik heb geen invloed op het beeld dat anderen van hem vormen en ik weet niet wat zij met hem van plan zijn. Ook al bestaat die dubbelganger niet uit vlees en bloed maar slechts uit nullen en enen, toch is hij een persoon in de volledige juridische en filosofische betekenis van het woord. Hij is net als zijn fysieke evenknie in het vizier van de staat en zijn organen, van de commercie met haar verleidingen en van mijn medemensen met hun nieuwsgierigheid. De vraag is alleen of ik erop kan vertrouwen dat die dubbelganger dezelfde bescherming van de wet geniet als ikzelf. ‘De waarde van de mens is onaantastbaar’, legde de Bondsrepubliek precies zestig jaar geleden in het eerste artikel van haar grondwet vast. Geldt dat ook voor mijn dubbelganger? Is ook zijn grondrecht op zelfbeschikking gegarandeerd? In Duitsland hebben ze, anders dan in Nederland, een voor iedereen toegankelijk gerechtshof dat toetst of wetten, regelingen en besluiten met de grondrechten van de burgers in overeenstemming zijn. Dat constitutionele hof, het Bundesverfassungsgericht, gevestigd te Karlsruhe, heeft al in 1983 in een beroemde uitspraak vastgesteld dat de onaantastbaarheid van het individu zich ook uitstrekt tot de zogeheten ‘informationele zelfbeschikking’. Die uitspraak zorgde er toen voor dat de staat een voorgenomen volkstelling moest afgelasten. Met die uitspraak maakte Duitslands hoogste rechter duidelijk dat hij geen onderscheid wenst te maken tussen mij en mijn dubbelganger. Het leven van mijn dubbelganger heeft dezelfde onaantastbare waarde als dat van mijzelf. Daarom ben ik ook de enige die zeggenschap heeft over mijn dubbelganger. Niemand mag over hem beslissen zonder dat ik daar weet van heb en zonder dat ik daar toestemming voor geef. MAAR IN DE digitale wereld van mijn dubbelganger neemt men het niet zo nauw met de wet. Zelfs de staat trekt zich niet veel aan van het zelfbeschikkingsrecht van mijn dubbelganger. Hij wil hem kunnen observeren en bespioneren zonder dat die het merkt en zonder dat die er toestemming voor geeft. Hij wil, wanneer hem dat goeddunkt, toegang tot diens activiteiten op het internet, hij wil weten waar, wanneer en met welk doel hij zich door de telefoonnetwerken beweegt en hij wil hem in zijn publieke gedrag kunnen observeren en desgewenst ook in zijn privé-gedrag. De Duitse minister van Binnenlandse Zaken heeft eind vorig jaar geprobeerd zich daartoe uitgebreide volmachten te verschaffen, maar de in rode toga’s gestoken dames en heren in Karlsruhe floten hem op wezenlijke punten terug. Slechts bij concrete verdenkingen van ernstige delicten en met toestemming van een rechter mag hij privé-computers en privé-huizen binnenvallen. Priesters, strafpleiters en volksvertegenwoordigers zijn van zijn nieuwsgierigheid gevrijwaard. Maar journalisten zoals ik mag hij wél bespioneren, want dat is een beroepsgroep die niets liever doet dan gevoelige informatie vergaren en contact onderhouden met informanten die iets voor de staat te verbergen hebben. De staat doet niet kinderachtig over wat hij wil. In de slotbepaling van de eind vorig jaar besloten politiewet stellen de opstellers zonder omwegen dat de wet de inperking betekent ‘van het grondrecht op lichamelijke integriteit, op de vrijheid van de persoon, op het brief-, post- en telefoongeheim, op de vrije vestiging en op de onaantastbaarheid van de privé-woning’. De woordvoerders van de staat laten er geen misverstand over bestaan: als het om de veiligheid gaat moet de vrijheid een stapje terug doen. Maar de grondwet bedoelde juist het omgekeerde: de veiligheid moet te allen tijde in dienst staan van de vrijheid. Dat laatste heeft het constitutionele hof herhaaldelijk bekrachtigd. Maar sinds de oorlog aan het terrorisme is verklaard, zoeken de ministers van Binnenlandse Zaken telkens weer de grenzen op van wat de grondwet toelaat en wat niet. Het is een kat-en-muisspel. De veiligheidsspecialisten van de staat doen telkens weer verregaande voorstellen en moeten dan prompt in Karlsruhe verschijnen. Maar hoe vaak de staat daar ook bakzeil haalt – de laatste jaren heeft het hof een hele reeks voorstellen van de staat verworpen of op wezenlijke punten gecorrigeerd –, het netto resultaat is dat de grondrechten van mij en mijn dubbelganger steeds weer een beetje meer in de knel raken. De verleidingen voor de staat zijn groot. Telkens doen zich nieuwe technische mogelijkheden voor om een almaar preciezer profiel van mijn dubbelganger te maken. In de naaste toekomst wenken allerlei biometrische technieken die de uniciteit van mijn dubbelganger steeds nauwkeuriger vastleggen. Mijn vingerafdrukken, de afdrukken van mijn handbal, mijn DNA, mijn iriscopische karakteristiek, de precieze maten van mijn gezicht, het profiel van mijn stem: het laat zich allemaal in bits en bytes vastleggen. Elk element draagt bij tot de schepping van een perfecte dubbelganger die de staatsorganen helpen om hem waar dan ook, wanneer dan ook en hoe dan ook met mij te vereenzelvigen en mij verantwoordelijk te maken voor wat ze mijn dubbelganger ten laste menen te kunnen leggen. Al die biometrische gegevens kan men simpel opslaan in een chip op mijn identiteitsbewijs – vanaf deze zomer gaat dat al met vingerafdrukken gebeuren. Op die manier wordt de afstand tussen mij en mijn dubbelganger steeds kleiner. De dag waarop hij zelfs geheel met mijn lichaam zal samenvallen is volgens sommigen niet ver meer. Dat is de dag waarop ik mijn persoonlijke gegevens in een chip onder mijn huid met me zal meedragen, een chip die met de ontwikkeling van nieuwe technieken op steeds grotere afstanden afleesbaar zal zijn. En ik krijg nu al de kriebels als ik door een detectiepoortje moet… De staat breidt zijn verzamelwoede almaar uit. Hij verlangt steeds vaker toegang tot databestanden die voor andere doelen dan de terrorismebestrijding zijn aangelegd. Kijk alleen maar naar de gretigheid waarmee hij zich de gegevens over het telecommunicatieverkeer probeert toe te eigenen. Jarenlang hebben Europese en nationale overheden er met beschermers van de privacy over geruzied hoe lang telefoonbedrijven en internetproviders communicatiegegevens moeten bewaren ten behoeve van de verschillende politiediensten. Duitsland koos na een uitvoerig publiek debat voor een maximale bewaartermijn van een half jaar en strenge regels voor de toegang van de politiediensten. In Nederland is zonder publiek debat de door de regering voorgestelde termijn van achttien maanden door enkele liberale volksvertegenwoordigers met de nodige moeite teruggebracht tot twaalf maanden. Die bewaarplicht voor telecommunicatie betreft alleen gegevens over tijdstip, afzender en ontvanger van de berichten. De inhoud blijft onberoerd. Maar de nieuwsgierigheid van de staat is onverzadigbaar. Daarom werkt hij er hard aan om ook toegang tot die inhoud te krijgen. Telecommunicatiebedrijven zijn verplicht aftapmogelijkheden in hun systemen in te bouwen. Van die aftapkanalen maken de organen van de overheid blijkens cijfers steeds vaker gebruik. In de laatste tien jaar is het aantal keren dat rechters in Duitsland toestemming gaven om telefoon- of internetverkeer af te tappen met bijna duizend procent gestegen. Met argumenten als de bestrijding van terrorisme, georganiseerde criminaliteit en kinderpornografie, maar ook op grond van zoiets vaags als ‘suïcidegevaar’, verschaften politiediensten zich toegang tot de inhoud van talloze gesprekken en berichten. IN DE WERELD van de informatiesystemen zijn behalve de staat nog tal van anderen actief. Die trekken zich over het algemeen nog minder van de grondrechten van mijn dubbelganger aan dan de staat. Dat plaatst de staat voor een lastig dilemma. Aan de ene kant wil hij niets liever dan zelf zo veel mogelijk van de overal opgeslagen gegevens gebruikmaken. Aan de andere kant verplicht de grondwet hem iedere aantasting van de waarde van het individu door anderen te verhinderen. Neem de videobewaking. De staat heeft er belang bij om de talloze videobeelden die in winkelcentra, parkeergarages, bankgebouwen of waar dan ook worden opgenomen, te kunnen gebruiken als bewijsmateriaal bij delicten. Tegelijk moet hij ervoor zorgen dat de eigenaars van die bewakingssystemen er geen misbruik van maken. Die dubbelrol leidt tot verlamming. Toen bleek dat de Duitse discountketen Lidl video-opnamen gebruikte om het eigen personeel te bespioneren, was de publieke verontwaardiging groot, stonden de privacybewakers op hun achterste benen, nam het bedrijf de boetehouding aan, maar weigerde de staat over scherpere regels voor de bescherming van de werknemersprivacy na te denken. En dat terwijl al snel bleek dat het Lidl-schandaal slechts het topje van een ijsberg was. Handelaren in bewakingssoftware, advocaten gespecialiseerd in arbeidsrecht en verenigingen van detectives gaven aan dat het bespioneren van personeel in Duitsland eerder regel dan uitzondering is. Ook als het om de illegale handel met persoonsgegevens gaat, zeg maar: de mensenhandel met dubbelgangers, treedt de overheid nonchalant op. In augustus vorig jaar dook in Duitsland een cd op met zeventienduizend namen, adressen en bankrekeningnummers. Een medewerker van een callcenter had ze stiekem op zijn werk gekopieerd. De gegevens werden gebruikt om mensen over de telefoon loten aan te smeren. Toonden de mensen ook maar vage belangstelling, dan werd prompt een bedrag van hun rekening afgeschreven. Privacybeschermers sloegen groot alarm. In een mum van tijd legden hackers, journalisten en databeschermers hele netwerken van illegale handel in persoonsgegevens bloot. Ze bestookten de overheid met voorstellen om het misbruik in te dammen. De reactie van de verantwoordelijke minister van Binnenlandse Zaken: ‘Ik raad de burgers aan hun bankafschriften regelmatig te controleren.’ Hoe opportunistisch de staat in dit soort kwesties opereert, was kort tevoren gebleken toen de Duitse geheime dienst van een dubieuze tussenpersoon voor 4,2 miljoen euro een gestolen cd kocht met gegevens over zo’n duizend belastingontduikers. De kans om enkele honderden miljoenen euro achtergehouden belastinggelden op te strijken, maakte de staat blind voor de illegale herkomst van de informatie. Met die actie legitimeerde de staat een hele branche van maffiose ondernemers die dubbelgangers gijzelen en afpersen teneinde aan de banktegoeden van reële burgers te komen. Dat is een branche waarin volgens schattingen wereldwijd inmiddels honderden miljarden euro omgaan. Een speciale verantwoordelijkheid heeft de staat wanneer het om mijn dubbelganger als drager van medische gegevens gaat. In veel landen lopen projecten om medische dossiers van burgers samen te stellen en op te slaan. Daarbij gaat het om gevoelige informatie, die thuishoort in de veilige sfeer van de spreekkamer, afgeschermd door beroepsgeheim en persoonlijkheidsrechten. Zijn mijn gegevens eenmaal gedigitaliseerd en samengevoegd tot een elektronisch dossier, dan heb ik een anatomische dubbelganger. Voor artsen en medische diensten is het handig wanneer ze die via een centrale kunnen raadplegen. Maar er zijn ook andere geïnteresseerden die graag met mijn dubbelganger kennis zouden willen maken: verzekeringsmaatschappijen, farmaceutische bedrijven en soms ook de organen van de staat. Terecht maken privacybeschermers, burgeractivisten en politici zich extra zorgen over de veiligheid van mijn anatomische dubbelganger. Het ziet ernaar uit dat het elektronisch patiëntendossier zoals men dat momenteel in Nederland ontwikkelt die veiligheid niet kan bieden. In Duitsland heeft men de normen hoger gesteld en ontwikkelt men een systeem waarin mijn dubbelganger alleen te raadplegen valt wanneer ik zelf met een unieke sleutel de deur naar hem openzet. Bovendien bevindt mijn dubbelganger zich niet op één centrale plek maar is hij verdeeld over verscheidene servers, wat bescherming biedt tegen digitale dieven. Het is een systeem dat zelfs alarmistische privacyactivisten tot bewondering dwingt. Zo’n unieke sleutel zou ik ook wel willen hebben voor mijn consumptieve dubbelganger. Die loopt nog steeds volkomen onbeschermd rond in het digitale consumptieparadijs. Nu is dat in mijn geval een sober type. Ik houd hem zo kort mogelijk. Lekker shoppen is er voor hem niet bij. Er zijn maar een paar dingen die ik hem laat kopen, en dan alleen bij vertrouwde adressen. Klantennummers verzamel ik zo spaarzaam mogelijk, die geven mijn dubbelganger te veel profiel. Speciale voorzichtigheid neem ik in acht bij Google. Die internetaanbieder beschikt inmiddels over een van ’s werelds grootste databanken, waar internationale geheime diensten likkebaardend naar staan te kijken. Ik gebruik alleen de zoekmachine van Google, van Google-diensten waarvoor ik me moet registreren, blijf ik af. De staat laat met enig recht mijn consumptieve dubbelganger ongemoeid. Hij belaagt hem niet en hij beschermt hem niet. Die dubbelganger moet zichzelf maar zien te redden op de vrije markt van consumptiegoederen. Wie met zijn koopgedrag te koop wil lopen, moet het zelf weten. Bovendien is wat die dubbelganger weet niet echt interessant voor de staat. De enige markt die dat wél is, is de financiële. Daar worden door banken en instituten die kredieten registreren enorme hoeveelheden gegevens verzameld. In de strijd tegen het terrorisme zoekt de staat naar steeds meer mogelijkheden om toegang tot die financiële databanken te krijgen. Het internationale betalingsverkeer ligt al goeddeels open voor de inlichtingendiensten, de druk op het nationale betalingsverkeer neemt toe. DE STAAT lijkt er steeds weer vanuit te gaan dat in de elektronische ruimte waarin zijn inlichtingendiensten opereren de grondwet niet van kracht is. Hij creëert bewust een tweede, virtuele samenleving waarin de waarde van mijn dubbelganger als individu niet meer telt. Zo’n samenleving heet in politieke termen een dictatuur. Zoals de Stasi vroeger in de DDR in het geheim informatie over reële burgers verzamelde, zo verzamelen de organen van de huidige Bondsrepubliek ongevraagd, ongemerkt en ongebreideld gegevens over de dubbelgangers van haar burgers. Die dictatuur mag dan virtueel zijn, niet uit fysieke personen bestaan maar uit informatieknooppunten, zolang de rechters burgers en hun dubbelgangers dezelfde waarde toekennen, is die dictatuur reëler dan de staat lief zou mogen zijn. Wat de digitale samenleving vooral tot dictatuur maakt is dat burgers nauwelijks inzicht hebben in de verzamelpraktijken van de staat, laat staan dat ze er invloed op kunnen uitoefenen. Zelfs de officiële beschermers van de privacy – en dat zijn er in Duitsland nogal wat, zowel op federaal niveau als op het niveau van de deelstaten – tasten iedere keer weer in het duister over de gegevens die de staatsorganen zoal verzamelen. Ze komen telkens weer voor verrassingen te staan, lopen voortdurend achter de feiten aan, maar trekken gelukkig vaak stevig aan de bel en dwingen politici en rechters tot ingrijpen. Zo moest begin vorig jaar een aantal deelstaten het willekeurig scannen van autokentekens stoppen nadat privacybeschermers het constitutionele hof hadden ingeschakeld. De inzet van verborgen videoscanners langs de weg maakte inbreuk op de bewegingsvrijheid van onverdachte burgers. Dat mijn dubbelganger in een dictatuur leeft, betekent nog niet dat dat ook voor mij geldt. Op de schaal van rechtsstaat via veiligheidsstaat, bewakingsstaat, preventiestaat en politiestaat naar totalitaire staat bevind ik mij als reële burger nog ergens tussen veiligheids- en bewakingsstaat in. Er is al veel op mijn grondrechten beknibbeld ten behoeve van mijn veiligheid en ik moet met de gedachte leven dat de staat mij via mijn digitale dubbelganger tamelijk scherp in het oog heeft. Maar het is nog niet zo dat de staat op grond van zijn kennis over mij, mij allerlei beperkingen oplegt, zoals in een preventiestaat, of mij regelrecht onder toezicht plaatst, zoals in een politiestaat. Zodra de staat de grens naar de preventiestaat overschrijdt, vindt er een essentiële omslag plaats. Vanaf dat moment neemt de staat niet langer mij tot uitgangspunt van zijn handelen, maar mijn dubbelganger. Voor alles wat hij over mijn dubbelganger weet, maakt hij mij verantwoordelijk en laat hij mij de consequenties dragen. Dat leidt tot zulke nachtmerrieachtige situaties als waarin de Braziliaanse elektricien Jean Charles de Menezes terechtkwam. De Britse geheime dienst had zijn digitale dubbelganger in de categorie terroristen ingedeeld. Daarop besloot de politie de reële burger Menezes op een Londens metrostation aan te houden. De totaal verraste Braziliaan reageerde paniekerig, waarop de politie hem met vijf kogels velde. Bij nader onderzoek was van een terroristische connectie geen spoor te bekennen. De dubbelganger die mijn leven overneemt – dat is de situatie waar ik bang voor ben. Zeker als ik er Dostojevski’s angstaanjagende klassieker De dubbelganger nog eens op nalees. De brave ambtenaar Jakov Petrovitsj Goljadkin stuit in een gure nacht op een man die precies op hem lijkt, dezelfde naam en dezelfde levensgeschiedenis heeft en ook hetzelfde werk doet op hetzelfde departement. Als hij over zijn eerste verbazing heen is, probeert hij er maar het beste van te maken en vriendschap met hem te sluiten. Tot hij merkt dat zijn dubbelganger stelselmatig zijn leven ondermijnt. Door toedoen van zijn evenbeeld keert iedereen zich tegen hem, komt hij van de ene compromitterende situatie in de andere terecht en verliest hij elk houvast in het bestaan. Het eindigt ermee dat men hem naar een gesticht afvoert, terwijl zijn dubbelganger triomferend rond de koets danst. Maar zo ver is het nog niet. Ik voel mij door mijn dubbelganger nog niet tot wanhoop gedreven. Bovendien woon ik in Duitsland. Niet dat de situatie daar zo veel beter is dan elders, dat de staat daar minder nieuwsgierig is naar mijn doen en laten en minder geneigd is mijn vrijheid aan te tasten ten behoeve van mijn veiligheid. Maar de juridische situatie is er helderder dan in bijvoorbeeld Nederland. Duitse burgers staat te allen tijde de rechtsgang naar Karlsruhe open wanneer ze menen dat de staat hun grondrecht op informationele zelfbeschikking aantast. En het constitutionele hof heeft zich in het verleden vaak genoeg als een democratische rots in de branding van overijverige wetgevers betoond. Daarnaast vind ik het geruststellend dat, mede door dat levendige juridische gesteggel, de Duitsers het debat over de gevaren van de informatiemaatschappij buitengewoon openlijk voeren. Onder de door de staat aangestelde privacybeschermers (Datenschutzbeauftragte) zitten enkele notoire kuitenbijters die het publieke debat flink opstoken. Er zijn veel goed geïnformeerde journalisten, die alert reageren op elk nieuw initiatief van de staat. Er is een actieve hackersbeweging die technische knowhow paart aan politieke gedrevenheid. Kunstenaars stellen in hun werk het thema op provocerende wijze aan de orde. En met name jonge schrijvers geven blijk van een bemoedigend engagement met de zaak. Kom daar in Nederland maar eens om! In Nederland overheerst de onverschilligheid. Het motto luidt: wie niets te verbergen heeft, hoeft nergens bang voor te zijn. Maar ik heb wel degelijk iets te verbergen! Weliswaar niet iets waar de staat zich druk over zou moeten maken, maar iets veel wezenlijkers. Dat is mijn privacy, mijn domein waar ik kan denken en doen wat ik wil zonder dat iemand mij daarbij gadeslaat, zonder dat het oog van de staat of van de openbaarheid op mij rust. Het gaat hier om een absoluut mensenrecht, dat zonder extra premissen volgt uit de eerste zin van de Duitse grondwet: ‘De waarde van de mens is onaantastbaar’. En dat recht geldt zoals gezegd ook voor mijn elektronische dubbelganger. Ik heb niet de minste behoefte aan een dubbelganger die in de etalage van het world wide web voor wie maar wil te kijk en te koop staat. Ik behoor niet tot degenen die hun gevoel voor eigenwaarde ontlenen aan de belangstelling die hun dubbelganger op het internet (bijvoorbeeld in een van de vele digitale vriendenclubs) ten deel valt. Als ik naar mijn dubbelganger kijk zoals die te voorschijn komt wanneer ik mijn naam op Google intik, dan kan ik daar alleen maar met bevreemding naar kijken. Wat ik voor me zie is een uit willekeurige facetten opgebouwd portret. Alsof je naar een picassoëske beeltenis kijkt waarvan de oren niet bij de kaken passen, de neus niet bij de mond, de ene arm te lang is, de andere te kort en de benen er onnatuurlijk bij bungelen. Daarom wil ik dat ik en niemand anders de zeggenschap over mijn dubbelganger heeft. Dat niemand zonder mij te raadplegen conclusies aan mijn dubbelganger verbindt die mij persoonlijk raken. Ik heb een nachtmerrie. In Berlijn zat niet zo lang geleden een bekende stadssocioloog drie maanden in voorarrest. Zijn misdrijf was dat er teksten van hem op internet rouleerden over de ‘gentrificering’ (wij zouden zeggen: ‘yuppificering’) van een voormalige bohémienwijk. Diezelfde term dook ook op in pamfletten van militante groepen die in die wijk dure auto’s in brand staken. Ik moet er niet aan denken wat er gebeurt wanneer straks in Berlijn militante privacyactivisten aanslagen plegen op het gloednieuwe complex van de Duitse inlichtingendienst onder het motto: ‘Blijf van mijn digitale dubbelganger af!’ En dat de geheime dienst dan dit artikel van mij op internet tegenkomt.

Bron: ANTOINE VERBIJ / De Groene Amsterdammer

mei
01
2009
1

Duitse herfst

De Rote Armee Fraktion.

Duitse-herfstMet de oprichting van de RAF, de ‘Rote Armee Fraktion’ of ‘Baader-Meinhof-Groep’ in 1969 begon één van de zwartste bladzijden in de naoorlogse geschiedenis van West-Duitsland. In de zogenoemde ‘Duitse herfst’ van 1977 werd de West-Duitse samenleving opgeschrikt door terreurdaden die hun weerga niet kenden: achtereenvolgens de moord op de directeur van de Dresdner Bank, Jürgen Ponto, de ontvoering – met dodelijke afloop – van de werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, de kaping van een Lufthansa vliegtuig door met de RAF samenwerkende Arabische terroristen en de drievoudige zelfmoord van de RAF-kopstukken: Andreas Baader, Gudrun Ensslin en Jan-Carl Raspe. Anderhalfjaar daarvoor had Ulrike Meinhof zichzelf al in haar cel om het leven gebracht.

In dit boek wordt het ontstaan van de RAF verklaard vanuit de context van het naoorlogse West-Duitsland. Daarnaast worden de twee grondleggers van deze terreurgroep, Andreas Baader en Ulrike Meinhof, geportretteerd. De vraag hoe het kwam dat zij tot het uiterste gingen om hun politieke doelstellingen te realiseren, vormt daarbij het uitgangspunt.

Margreet den Buurman is literatuurwetenschapper en publiceerde eerder bij Aspekt de verhalenbundel In de greep van Houdini. Daarnaast vertaalde zij uit het Duits o.m. Hitlers religie van Michael Hesemann, Skull & Bones van Andreas von Rètyi en Mijn land van duizend heuvels van Hanna Jansen.

Auteur: Margreet den Buurman
Paperback
195 pagina’s | Uitgeverij Aspekt B.V. | mei 2009

Onze sponsor Colani | Ontwerp: Oppositie 2.0 door colani.nl